Failliet

Een bouwondernemer in de gemeente ging failliet. Ik er naartoe: je bent toch pastor. Hij ontving mij in zijn riante zelfgebouwde huis. Hij was vrolijk en leek mijn bezoekje zelfs wat amusant te vinden. Hoe dan?! Je bent net failliet! Je verwacht een gebroken man. Maar hij zat breeduit een dikke sigaar te roken, fles wijn op tafel, geen spoortje verslagenheid. Al gauw bleek, dat hij allang weer een nieuw bedrijf was begonnen… De afhandeling van het faillissement had hij netjes in handen van curatoren gelegd. Schuldeisers? Die moesten niet bij hem zijn. Hij was alweer aan het bouwen.

Het zat vast anders in elkaar, maar snappen doe ik hier niks van. Tegelijk denk ik: hier kunnen we iets van leren. De kerk is ook failliet. Een collega zei onlangs zelfs: de kerk, dat ís faillissement… Dat geldt niet alleen voor ‘onze’ kerken, de ‘vrijgemaakte’, zei hij. Het is inherent aan kerk: waar twee of drie mensen samen zijn, daar ís faillissement. Mensen in de buurt? Dan komt er gedoe…

Echter wordt het niet totaal anders als het Christus zelf is die die mensen bijeenroept? Iemand zei ooit: Jezus heeft nooit een kerk gesticht. Wel bracht Hij mensen samen in zijn naam. Dat is de kerk: waar twee of drie samenkomen in zijn naam, daar is Hij in hun midden!

Dat faillissement van de kerk is misschien niet iets om rouwig om te zijn. Schenk net als die aannemer met vreugde een glas wijn in, in de naam van de Heer. Want wát is er failliet? Precies, ons eigen project. De vrijgemaakte kerken, daar hadden we nooit aan moeten beginnen (zei die collega). Het gebeurde onder tromgeroffel in de naam van de Heer. Maar was het wel echt en altijd het Huis van de Heer dat we bouwden? Was er niet veel eigen bouwwerk in? Het triomfantalistische bouwsel van eigen zekerheden en waarheidsclaims?

Uiteraard doe ik hiermee de mensen van toen geen recht. Mijn opa vertelde met van emotie trillende stem over zijn reis naar Den Haag op 11 augustus 1944, midden in de oorlog, misschien wel met z’n laatste goeie centen. En hoe ze daar massaal Psalm 124 zongen: “De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt”… Mijn opa hield van God, dat was overduidelijk in zijn spreken, zijn bidden. Een diep doorleefd geloof vulde zijn hart, en als kind voelde ik hoe het keukentje waar we aten zich tijdens zijn gebed vulde met Gods aanwezigheid.

Dus ja, geloof in de goede zaak, kerk en koninkrijk, en vooral in God zelf, dat was wat hen dreef. Maar de decennia daarna kroop het monster van de hoogmoed onder onze huid. Een bewuste keus was het niet, eerder een collectieve fuik waar we steeds verder in zwommen. Thuis kreeg ik het beslist niet mee, die enghartigheid. Toch vatte ergens dat monster post in onze vrijgemaakte pokkel: de ‘synodalen’ hadden de shortcut genomen, en het was wel duidelijk waar die route naartoe ging… En een meisje bij mij in de klas dat ik leuk vond bleek Hervormd te zijn, dus huilde ik in m’n bed omdat het niet goed zou komen met haar… De kerk was ons eigen project geworden, bolwerk van eigen gelijk, onze eigen bouwonderneming.

Dus ja, nu de vrijgemaakten zelf niet meer weten wie of wat ze zijn, moet je je afvragen: moeten we daar om treuren? Bram van de Beek schrijft in Lichaam en Geest van Christus: elke splitsing om ‘de waarheid’ roept de volgende alweer op. De hoogmoed van het rationalisme van de Moderniteit dwingt ons om te argumenteren tot ver achter de komma. Maar dan loop je uiteindelijk altijd vast. Want rationele argumentaties roepen rationele tegenargumenten op. En dan wordt het een krachtmeting: de sterkste argumenten winnen, de zwakste doen het bouwwerk instorten. Zo gaat dat met argumenteren, argumenten zijn de ontkenning van ons te kleine hoofd.

En echt, ik ben van harte gereformeerd gelovige. Gereformeerd tot in m’n tenen. Zal de vrijgemaakte kerk niet vaarwel zeggen. Ook dat vind ik te gemakkelijk. Dat passagiers het zinkende schip verlaten is tot daar aan toe. Maar de bemanning, die blijft trouw, gericht op het redden van de opvarenden. En los van dat beeld: zijn we niet een gemeenschap, van mensen door God zelf aan elkaar gegeven?

En daarom: wie werkelijk in Jezus gelooft, weet maar al te zeker, zijn kerk gaat nooit failliet. Maar dan ligt daar wel een diepere omschrijving van kerk aan ten grondslag. Kerk is de gemeenschap van allen die van Christus zijn. De kerk is altijd groter dan wat jij ziet. We mochten vroeger die ‘onzichtbare kerk’ niet omarmen. Het zou een te goedkope escape uit de verdeeldheid zijn. Vrijgemaakten focusten op de zichtbare eenheid. Dat project bleek toch te hoogmoedig. Al geniet ik stiekem nog altijd van deze drive. Er zit absoluut iets radicaals en dus inspirerends in: niet rusten voordat christenen elkaar in de armen vallen. Alleen, nogmaals, we deden dat toen met argumenten, van waar en vals. Zijn we nu wijzer geworden? Zou je niet eerst moeten beginnen met het vieren van de eenheid? Christenen aller landen, aan tafel! De Tafel van de Heer.

En ja, mijn radicale roots zeggen wel: ga dan wel met elkaar in gesprek. Niet uit op eigen gelijk, maar benieuwd naar wat je van de ander te leren hebt. Elkaar verrijken. En dat is wat mij betreft niet zwijgen over de verschillen, nee, juist het onderzoeken daarvan. Gesprekken over dopen, ambten, genezing, de wederkomst. Die gesprekken kunnen we aan, als we de Tafel met elkaar delen. En als dat niet een nieuwe successtory wordt. Maar een verhaal van failliete mensen, die geen sigaar opsteken maar wel de wijn van de Heer drinken.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *