Ambt: Gods kerk bij Christus bewaren – Leerpreek 3 over Kerk-Sacramenten-Ambt

Twee weken geleden deden hier drie jongeren publiek belijdenis van geloof. Nu stonden hier zo juist vier nieuwe ambtsdragers. Ook zij hebben opnieuw instemming betuigd met het belijden van de kerk. Afgelopen donderdag is tijdens een kerkenraadsvergadering het z.g. ‘Bindingsformulier’ voorgelezen en door hen ondertekend. Zo beloof je, dat je je in je ambtswerk zult houden aan de leer van de kerk. Zo zorgt de kerk ervoor, dat we bewaard worden bij Gods Woord.

Iedereen kan wel eens vragen of twijfels hebben bij onderdelen van wat wij geloven. Iedereen mag die vragen ook hardop stellen. We zijn juist aan elkaar gegeven om elkaar ook daarin te helpen. Ook als ambtsdrager kun je natuurlijk van zulke vragen hebben. Of zelfs een afwijkende mening (voorbeelden). Maar in je ambtswerk moet je zo’n afwijking niet rond gaan verkondigen. Dat geldt misschien wel het sterkst voor de dominee. Je moet niet in je preken onbijbelse meningen gaan verbreiden. Christus wil zijn kerk beschermen tegen alles wat tegen zijn Woord in gaat. Daarom is de belangrijkste taak van ambtsdragers: Gods kerk bewaren bij Gods Woord. Bij de Bijbel; maar vooral bij de Heer van de Bijbel, bij Christus.

De bijzondere opdracht van ambtsdragers: Gods kerk bewaren bij Christus

  1. Bij het Woord van Christus; 2. Met het Woord van Christus.

1.

Een paar teksten in de Bijbel laten prachtig zien wat de taak van ouderlingen is. Hoed Gods kudde waarvoor u de verantwoordelijkheid hebt, houd goed toezicht (1 Petr. 5, 2/3). En: Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als herder heeft aangesteld; u bent de opzieners van Gods gemeente, die hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon (Hand. 20,28).

Wat wij vandaag ouderlingen noemen, heette in de Bijbel oudsten. Oudsten waren er al in Israël, dus in het O.T. Mozes stelde wijze mannen aan, die hem moesten bijstaan. Ook de apostelen en hun medewerkers stelden overal oudsten aan. En hun werk is dus ‘herderwerk’.

In Titus 1 kom je beide woorden vlak na elkaar tegen: oudste en herder. Het woord ‘oudsten’ in vers 5, in het Grieks presbyteroi. En in vers 7 ‘opziener’, Grieks episkopos (waar het woord ‘bisschop’ van is afgeleid). Dat woord ‘opziener’ betekent hetzelfde als ‘herder’, iemand die op de kudde let.

Als je in de Bijbel zoekt naar iets van ‘ambten’, dan zijn twee dingen duidelijk:

  • In elke gemeente moesten oudsten zijn
  • Zij deden het werk van herders (letten op de kudde).

Het gaat in de Bijbel ook wel over diakenen, maar het begint dus bij die oudsten.

Hoe doen ze dat nou, dat herderwerk? De allereerste ‘ambtsdragers’ waren de apostelen: zij waren de eerste predikers, omdat ze ooggetuigen waren. Zij waren bij Jezus, kregen onderwijs van Jezus zelf, waren getuige van zijn leven, sterven en opstanding. Toch werd niet iedereen die er bij was vanzelf ook apostel. Daar was nog iets voor nodig: ze moesten ook echt door Christus geroepen zijn. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is Paulus: hij was er niet bij, Christus riep hem er wel bij. Daarom verwijst hij in zijn brieven vaak naar die roeping, zoals ook hier in Tit. 1: Van Paulus, apostel van Jezus Christus, met de opdracht om Gods uitverkorenen tot geloof te brengen… Nu, die eerste getuigen geven vervolgens hun roeping weer door aan ‘assistent-apostelen’. En zo iemand was Titus. En Titus moest het Woord van de Heer dan weer toevertrouwen aan oudsten (Titus 1,5).

Zo zie je dus deze lijn van opvolging: apostel – helper/evangelist – oudsten. Zo zorgt Christus ervoor dat zijn kerk wordt bewaard bij zijn Woord. Christus’ kerk kan alleen leven en groeien, als we bij zijn Woord blijven.

Moeten ‘oudsten’ dus de gemeente aan de Bijbel houden? Ja, maar welke Bijbel: we kunnen niet zonder goede visie op de Bijbel. Anders heeft op een gegeven moment ieder zijn/haar eigen Bijbel. In onze tijd zie je dat dan ook. Voor de één is de Bijbel een bron van inspiratie en troost. Voor de ander een boek met regels en richtlijnen. Voor een derde bevat de Bijbel vooral de ‘ware leer’.

Het is ingewikkeld geworden, we denken vandaag niet meer gelijk over de Bijbel. Ook binnen een kerkenraad zie je die diversiteit. Verbiedt de Bijbel vrouwelijke ambtsdragers? Staat er in de Bijbel dat je twee keer per zondag naar de kerk moet? Zegt Gods Woord dat ongehuwd samenwonen niet kan? Voor sommigen ligt dat allemaal glashelder. Ze beroepen zich op een set teksten en trekken van daaruit een rechte lijn naar nu. Anderen betrekken in hun uitleg meer het verband, van geschiedenis en onze eigen tijd. Hoewel dat uiteraard niet altijd zo zwart-wil ligt, lijken die twee benaderingen elkaar toch niet meer te bereiken. Het gevaar dreigt (en het gebeurt soms ook), dat we afhaken en het gesprek hierover niet meer voeren met elkaar. En nog erger, dat je elkaar gaat veroordelen, en ten slotte maar loslaat. Je gaat het vermijden om over zulke onderwerpen nog echt te praten, behalve misschien met mensen van wie je weet dat ze net als jij denken.

“Bewaren bij het Woord is meer dan bewaren bij de Schrift”

Hoe komen we daar uit? Dat kan alleen als ‘bewaren bij het Woord’ meer is dan ‘bewaren bij de Schrift’. Oudsten geven geestelijke leiding aan de gemeente. Uiteraard niet slechts door gemeenteleden teksten en regels voor te houden. Ook de Schriftgeleerden en Farizeeërs riepen ‘sola Scriptura!’, ‘de Schrift alleen’! Maar dat was het nou juist: de Schrift alleen! Wat bedoel je daar immers mee? Je kunt mensen ook om de oren slaan met de Bijbel! Heel scherp laat Jezus dat zien, tijdens een bekende clash tussen hem en de joodse Schriftgeleerden. In Johannes 5,39 zegt hij: U bestudeert de Schriften en denkt daardoor eeuwig leven te hebben. Welnu, de Schriften getuigen over mij, maar bij mij wilt u niet komen om leven te ontvangen! De Schriftgeleerden kenden de ‘Schriften’, de toenmalige Bijbel (ons O.T.), maar al te goed! Maar diezelfde Schriften wezen wel vooruit, naar de komende Christus, profeterend, belovend. En nu is die Christus dan gekomen, maar zij zien hem niet en erkennen hem niet. De Schriften, Gods Woorden, zijn in hem vervuld, maar zij wijzen hem die de vervulling zelf is af.

Met andere woorden: je kunt de Bijbel niet echt begrijpen buiten Christus om. Dan wordt de Bijbel een dood, en zelfs dodend, boek! Zoals ook Paulus zegt in 2 Korinthiërs 3,6: de letter doodt, de Geest maakt levend. Dat zegt hij als hij het heeft over de Israëlieten, de Joden die de Bijbel lazen zonder Christus.

Dus ambtsdragers, vooral oudsten, moeten Gods kerk bij het Woord bewaren. Maar dat is meer dan ‘de Schrift’, meer dan een boek van regels en van ‘de’ waarheid. De Bijbel is het boek van Christus, hij is in eigen persoon de waarheid van het Woord. In onze tijd, waarin zoveel verschillen binnen de kerk groeien, is dat inzicht belangrijker dan ooit. Stel, iemand komt onregelmatig of weinig in de kerk. Er was eens een tijd, dat we dat onder omhaal “ontrouw in de kerkgang” noemden. We hadden dus al op voorhand een oordeel. Was dat afgeleid uit de Bijbel? Of een uitvloeisel van onze manier van omgaan met de Bijbel? Nogal eendimensionaal zeiden we: “Het staat in de Bijbel, en daar houden we elkaar dus aan”. Maar 1: staat dat wel zo in de Bijbel? En 2: zoek je zo wel echt naar het hart van die ander, naar hoe hij Jezus volgt en zijn keuzes maakt?

Gods kerk bewaren bij het Woord is dus: de kerk bewaren bij Christus, zijn genade. Herders zijn er om je te helpen de Grote Herder te volgen, en in zijn voetsporen te treden. Om je te helpen te leven uit zijn genade.

2

En dat doen die oudsten/herders omdat ze daartoe worden aangesteld. Als opvolgers van de apostelen werden ze aangesteld om de gemeente bij elkaar te houden. Net als een herder die zijn kudde bij elkaar houdt. Oudsten bewaren de kerk bij het Woord, en doen dat met het Woord. Ze zijn dus meer geestelijk leiders dan bestuurders. In onze tijd is het gevaar groot, dat ouderlingen managers van de kerk worden. Maar dan gaan we lijken op een bedrijf, met een directie. Die er vooral is om te beheersen, controle te houden. En als gemeente gaan we dan steeds meer alles bij een kerkenraad neerleggen. En we houden hem ook voor alles verantwoordelijk, voor van alles, en nog wat, en nog wat… Maar dat doet beslist geen recht aan de weg die de Bijbel wijst.

Paulus zegt dat Titus oudsten moet aanstellen. En in dat woord ‘aanstellen’ zie je al dat er iemand achter zit, achter staat: Christus zelf! Hier zie je iets wonderlijks, als het gaat om de ambten in de kerk. Er zijn eigenlijk twee richtingen: één vanuit de gemeente, en één naar de gemeente. Ambtsdragers worden gekozen uít de gemeente. De gemeente is het lichaam van Christus, vol gaven van de Geest. Het werk van de heilige Geest laat zien, dat we samen verantwoordelijk zijn, voor het blijven bij Christus en het dienen van elkaar. Die lijn verbindt het ambt dus vooral met de heilige Geest. Die lijn zie je sterk terug in de reformatorisch-evangelische ambtsvisie. Ambten worden daar soms bijna vervlakt tot ‘functies’ (functionele ambtsleer).

Maar er is ook een lijn vanuit Christus: dat is die andere richting, náár de gemeente. Die komt tot uiting in die aanstelling. Die lijn wordt vooral vertegenwoordigd in de rooms-katholieke traditie: de priesters/bisschoppen als vertegenwoordigers van Christus. Ook in de gereformeerde lijn is daarvan iets bewaard gebleven. Ambtsdragers komen niet namens zichzelf. Ze worden gestuurd, en hun zender is Christus. Maar ook dat kan gemakkelijk tot ontsporing en eenzijdigheid leiden. In onze tijd voelen we al gauw weerstand tegen elke vorm van gezag of autoriteit. We zijn individuen, die ons niet meer zo maar laten leiden. Een ambtsdrager moet daarom goed laten zien hoe Christus hem zendt.

Twee dingen zie ik dan in dit hoofdstuk naar voren komen. Christus zendt je als christen (1). En: hij laat zijn gezag uitoefenen door zijn Woord (2).

Als christen: je zou zeggen, christen zijn we toch allemaal, in de kerk? Maar Paulus noemt ambtsdragers (dus ook de diakenen) beheerder van Gods huis! Net als de priesters in de tempel, die moesten eerst zichzelf reinigen voor ze konden offeren en hun dienst konden verrichten in Gods huis, zo moet ook nu Gods dienaar extra rein zijn. Daarom somt Paulus hier een aantal extra kenmerken op. En die komen erop neer, dat ze ‘onberispelijk’ moeten zijn: dat er niets op ze aan te merken valt.

Niets op aan te merken! Te gemakkelijk zeggen wij vaak: ja, maar we zijn allemaal zondaars, toch? Maar dat is letterlijk een dooddoener! Ze moeten voorbeelden zijn. Niet doordat ze geen fouten maken, die maken we allemaal. Wat we niet altijd doen is een fout erkennen, vragen om vergeving! Poets het dus niet weg, maar neem je verantwoordelijkheid! Juist bij ambtsdragers is daarin vaak zoveel mis gegaan, omdat ze zich beriepen op hun ambtelijke gezag. Maar zodra je je moet verschuilen achter formeel gezag, loop je het gevaar van machtsmisbruik. Heel heftig hebben we dat gezien in de RK (en niet alleen daar). Tot en met een excuuscultuur die leidde tot die ongelijke verhouding tussen daders en slachtoffers, tussen dat z.g. ‘hoge ambt’ en kwetsbare gewonde mensen! Neem je verantwoordelijkheid. Dat is de houding van Christus: oprechtheid, transparantie.

Nogmaals, dat is wat hij van iedereen vraagt, maar wel allereerst van leiders. Gezag is geen formeel gezag maar allereerst moreel. Dat geldt ook voor overheidsdienaren, politici, bestuurders, en politie. Een politieagent die zonder zwaailicht te hard rijdt, geeft niet het goede voorbeeld!

Dit heeft dan ook alles te maken met dat tweede: dat ze komen met Gods Woord. Ook dat lees je hier (vers 9): Hij moet zich houden aan de betrouwbare boodschap die in overeenstemming is met de leer, zodat hij in staat is om anderen met heilzaam onderricht te bemoedigen en terecht te wijzen. Let op die woorden ‘heilzaam onderricht’. Niet ‘de les lezen’, maar weer: de genade van Jezus klinkt er in door! Juist daarom haalt Paulus hier zo fel uit, naar die ‘vadsige vreters’, een regelrechte scheldkanonnade, zo lijkt het wel. Hij verfoeit deze aanvallers van de gemeente, die de gemeente belaagden met genade-loze scherpslijperij en haarkloverij! Wat dat voor mensen waren, blijft onduidelijk. Het lijken mensen te zijn, die iets met de joodse wetten wilden, die wilden opleggen. Weer die wettische houding, lijnrecht tegenover de genade van Christus! Juist daarom wordt Paulus zo scherp, omdat Christus’ genade, het evangelie, erdoor in diskrediet komt!

Ook vandaag voel je soms die hang naar oude duidelijkheid. Maar zo vaak klinkt daar geen genade meer in door. Dan bindt het niet samen, het leidt alleen maar tot polarisatie. In de diversiteit van nu is het juist de kunst, onze roeping, om elkaar vanuit Christus’ liefde te leren verstaan. Gezag van ambtsdragers staat of valt daarmee. Hun roeping door Christus maakt ze niet vanzelfsprekend gezaghebbend. Elk gezag in Christus’ kerk moet door de kritiek van het evangelie heen, moet te herleiden zijn naar zijn Woord. Zo geven ambtsdragers leiding met en door dat Woord. Dat geldt dus ook voor diakenen, ook zij moeten niet zonder Bijbel op pad gaan. Alleen Christus, met zijn evangelie van genade, kan ons de weg wijzen. Ook in hoe je de gemeente voorgaat in het dienen van elkaar en al je naasten.

Afsluitend: Ouderlingen en diakenen worden door Christus gezonden. Hun kracht zal moeten liggen in werken met Gods Woord. Altijd gebracht als het evangelie van Jezus’ genade.

 

Amen

Leerpreek Kerk-Sacrament-Ambt 3 Leerpreek Kerk-Sacrament-Ambt 3

 

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *