Ambt anders

Aanleiding [1]

Het vervullen van de ambten, vooral dat van ouderling, is de laatste 15 à 20 jaar in veel kerken steeds moeizamer. Geschikte personen zijn er wel, beschikbare niet. De praktijk groeide, dat men vooraf gepolst wordt. Vaak geeft men aan niet beschikbaar te zijn en geen benoeming te kunnen aanvaarden.

Een aantal factoren speelt hierbij een rol. Op praktisch vlak is dat de werkdruk die mensen overdag ervaren, en de toenemende tijdsdruk in gezinnen (beide partners werken, met extra werken, cursussen en studies die vereist zijn, kinderen gaan naar de opvang, met de hele gezinslogistiek die daarmee verbonden is). Deze druk leidde ertoe, dat men in de loop van de jaren van 3 à 4 avonden te besteden aan ambtswerk is gegaan naar zo’n 1 à 2.

Daar komt bij, dat mensen in deze tijd op een andere manier betrokken zijn bij de kerk. Men verbindt zich minder met langer durende verplichtingen, korter durende taken op ‘projectbasis’ en in andere kaders dan officiële structuren (zoals ‘commissies’ e.d.) gooien hogere ogen dan het vervullen van allerlei vacatures in bestaande verbanden.[2]

Maar er zijn ook factoren die te maken hebben met het ambt zelf. Ouderlingen worden steeds zwaarder belast. Gemeenteleden gingen steeds hogere eisen stellen aan kwaliteit en intensiteit van pastorale zorg. Men spreekt van ‘therapeutisering’ van het pastoraat: door de individualisering zijn mensen zich bewuster van hun gevoelens maar daardoor zijn ze vaak ook kwetsbaarder geworden, zodat de behoefte aan geestelijke bijstand toenam.

Verder is het leiding geven aan gemeentes steeds complexer geworden. De kerken bevinden zich in een veranderingsfase. Daar leiding aan geven is lastig, ook omdat gezag en beleid van kerkenraden minder vanzelfsprekend aanvaard worden. Ouderlingen komen daardoor in soms conflictueuze spanningsvelden terecht, die een grote mate van geestelijke volwassenheid en een heldere visie vereisen. Velen zien tegen dit soort spanningen op.

Tenslotte lijkt het ambt een steeds slechter imago te hebben gekregen. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat het ambt niet meegegroeid is met de veranderende situatie. Aan de ene kant blijven verouderde beelden in stand (veel en moeizaam ‘vergaderen’, een bureaucratisch imago), aan de andere kant is de wijze waarop we nog steeds proberen aan het ambt invulling te geven geen adequaat antwoord meer op die situatie.

 

Oplossingen

Het gaat dus niet maar om een beschikbaarheidsprobleem, het heeft ook te maken met het ambt zelf: de zwaarte en het verouderde beeld. Om iets aan het tekort te doen zijn in veel classes ambtsdragercursussen georganiseerd. De bedoeling was een soort ‘kweekvijvers’ van nieuw potentieel te vormen. Deze waren zinvol, maar ook hiermee werd het tekort niet opgelost.

Vanaf ongeveer 2000 kwam er via publicaties en landelijke studiedagen voor ambtsdragers bezinning op een nieuw ambtsprofiel. In de klassieke benadering, verwoord in het bevestigingsformulier, wordt de ouderling opgedragen ‘de leden van Christus’ gemeente trouw te bezoeken, om hen met het Woord van God te vertroosten, te vermanen en te onderwijzen’. Dit ‘trouw bezoeken’ wordt in de Kerkorde-1978 art. 21 nader ingevuld: ’ten minste eenmaal per jaar’. Dat jaarlijkse huisbezoek kwam ook in de nieuwe Kerkorde weer terug (art. B23.2).[3]

Dit ‘huisbezoek’ door de ouderling (elk jaar elk adres) kent een lange traditie. Deze gaat ervan uit dat de pastorale zorg in de gemeente door ambtsdragers, met name ouderlingen, uitgevoerd wordt. Echter, al in 1996 wees P.W. van de Kamp (docent praktische theologie aan de TUK) erop, dat veel gemeentes overgingen naar een structuur van kleine groepen of kringen, waar ook de basale pastorale zorg werd vormgegeven. Dit zou het werk van ouderlingen niet alleen ontlasten maar zelfs grotendeels kunnen vervangen. Kerken die werken met een kleine groepen structuur zouden daar zelfs voor moeten kiezen: óf je verbindt pastorale zorg exclusief aan een ambt (en eventueel andere ‘specialisten’), óf je honoreert het uitgangspunt dat pastoraat bij gemeente zijn hoort en dus een taak is van alle gemeenteleden.

Maar in de praktijk bleef men op twee gedachten hinken en hield men, ook waar een kleine groepen structuur was geïntroduceerd, toch ook vast aan het jaarlijkse huisbezoek. En dat terwijl het bezoeken van alle pastorale eenheden in één jaar in bijna geen enkele gemeente meer lukt.[4] Bovendien, we spreken vaak heel exclusief van ‘het’ huisbezoek: is elk ander bezoek aan huis dan soms géén ‘huisbezoek’? Blijkbaar zien we dus een ‘echt’ huisbezoek als een bezoek met een specifieke invulling, een speciale liturgie zou je kunnen zeggen. Is een ‘gewoon’ pastoraal bezoek, waarbij je met en voor mensen bidt en eventueel iets uit de Bijbel leest, dan minder waard?

De vraag rijst dus: kan geestelijk ondersteunen alleen ‘ambtelijk’? Het antwoord is: nee, pastorale zorg is een taak van de gemeente, door gemeenteleden. Laat de doelstelling om jaarlijks dat ene speciale en exclusieve bezoek aan alle gemeenteleden te brengen dus los en vervang het door ‘pastorale zorg’. Die kan door gemeenteleden gegeven worden, waarbij de ouderling toerust en supervisie houdt, vanuit zijn specifieke verantwoordelijkheid. Ouderlingen kunnen daarnaast in bijzondere situaties altijd ook zelf mensen bezoeken. En ook situaties die we nu ‘zaken van opzicht & tucht’ noemen, horen daarbij. Daarnaast kunnen ouderlingen zich erop toeleggen de gemeenteleden vooral via de wijkgroepen te bezoeken en eventueel geestelijk toe te rusten. Op deze manier worden ouderlingen een soort coach voor kleine groepen. Zij regelen en faciliteren de pastorale zorg. Alleen in bijzondere gevallen verlenen ze zelf pastoraat.

Ds. H. ten Brinke (in De Reformatie jrg. 89, 467) formuleerde het zo: de gemeenteleden zijn de eerstverantwoordelijken voor pastoraat, de ouderlingen eindverantwoordelijk. Alleen als de wijkleden het pastoraat niet op kunnen brengen, wordt de wijkouderling ingeschakeld. Dat betekent dat de ouderlingen in de praktijk meer tijd overhouden voor hun kerntaak: geestelijk leiding geven. Maar het is ook principieel passender om het zo te regelen. Ouderlingen zijn immers pastor: herder. En het bijbelse beeld van een herder wijst vooral op een leider – niet op een individuele zielzorger, schrijft ten Brinke.

Hier is wel tegenin gebracht, dat pastor of herder afgeleid is van dé Herder, Jezus Christus. Dat betekent dus juist wel een ambtelijke verantwoordelijkheid: ambtsdragers doen dit namens de grote herder Jezus Christus. Niet alle gemeenteleden zijn herder, er zijn mensen met een bijzondere bevoegdheid en verantwoordelijkheid. Toch is dat geen sterke argumentatie: zij toont niet aan, dat pastoraal niet ook een gemeentetaak is. Immers, ook dan blijft dat onderscheid tussen eerst- en eindverantwoordelijk passend. Al met al pleit dit dus voor een nieuw ouderlingprofiel, ‘ambt anders’.

 

Inzet van gemeenteleden

De nieuwe Kerkorde formuleert het takenpakket van de ouderling dus nog steeds binnen het denkraam van de klassieke visie (al blijkt er veel ruimte voor nadere nuancering en praktische concretiseringen te zijn, als je naar de toelichtingen bij de kerkorde kijkt!). Bovendien is toch ook deze bepaling opgenomen: ‘Op verzoek van de kerkenraad kunnen gemeenteleden de ouderlingen assisteren in de pastorale zorg’ (B23.4). Assisteren, dat betekent dus: de ouderling blijft primair verantwoordelijk voor pastoraat, daarnaast is er in deze visie ruimte voor bezoekbroeders/-zusters. Kerkenraden kunnen dus werken aan het vormen van een ‘reservoir’ aan pastorale talenten.

Alleen, in de formulering van de kerkorde lijkt dit een verlegenheidsoplossing: als de ambtsdragers het niet alleen af kunnen, dan schakelen ze teams van gemeenteleden in. In de bovengeschetste visie op pastorale zorg als taak van de gemeente ligt het eerder andersom. De ouderlingen hebben dan een coördinerende taak. In de praktijk kan dit betekenen dat ouderlingen de supervisie houden en leiding geven aan de pastorale zorg, maar dat deze in de regel uitgevoerd wordt door gemeenteleden. En ook de gemeenteleden zijn daar dan niet allen even intensief mee bezig, een groep van speciaal aangewezen en gekwalificeerde mensen nemen hierin in het bijzonder een verantwoordelijkheid.

In welke situaties kan hier vooral behoefte aan zijn? We kunnen hier denken aan situaties waarbij intensievere pastorale aandacht nodig is (bijvoorbeeld bij psychische nood, gezins- of persoonlijke problemen, rouwverwerking, etc.). Vaak zijn er dan langere bezoektrajecten nodig met een grotere frequentie. Ook vragen deze pastorale contacten soms iets meer expertise.

Op deze manier kan de ouderling ontlast worden of kan de exclusieve druk op het ambt deels verminderd worden. Bovendien kan de ouderling zich dan concentreren op zijn kerntaken. Hij kan dan overigens nog steeds actief zijn in zijn wijk, actiever zelfs misschien wel! Hij kan nog steeds blijven werken aan het opbouwen van een vertrouwensband met alle gemeenteleden in zijn wijk. Maar de druk van die overspannen verwachting en onhaalbare doelstelling is dan van de ketel. ‘Huisbezoeken’ zijn gewoon pastorale zorg bezoeken.

Verder concentreren ouderlingen zich dan dus vooral op de kerntaak van geestelijk leiding geven. Daarbij hoort allereerst, dat de ouderlingen de grenzen van de kerk bewaken. In het geval van toelating tot de gemeente (en nader: het avondmaal) of bij tuchtmaatregelen hebben zij samen een beslissende bevoegdheid.[5] Kortom: deze benadering biedt nieuwe kansen en geeft ruimte voor het vormen van een kleiner college van ouderlingen met een andere invulling van hun ambt. Op naar een ouderling nieuwe stijl en een gemeente met een actieve pastorale verantwoordelijkheid!

 

Noten:

[1] Dit stuk is geschreven mede aan de hand van de notitie van de kerkenraad van Gouda t.b.v. de classicale bezinning op de classis Midden-Holland december 2014. Verder is gebruik gemaakt van enkele artikelen die in de loop van de jaren verschenen zijn in De Reformatie en in het ambtsdragersblad Dienst. Ook een tweetal lezingen van M. te Velde en C.J. de Ruijter op twee landelijke ambtsdragerdagen van het toenmalige Steunpunt Gemeenteopbouw (v.m. GVI, nu Praktijkcentrum) in 2002 en 2004 zijn hier benut. Recent is het aangeboden aan de kerkenraad van de GKv Alphen aan den Rijn, die momenteel werkt aan de praktische uitwerking, o.a. door het aanstellen van pastorale bezoekers M/V.

[2] Er is steeds meer weerstand tegen de ‘bureaucratisering’ van het kerkelijke werk, schreef ds. Henk Jan Visser in het Gereformeerd Kerkblad van 30 januari 2015. Zie ook prof. dr. Gerben Heitink, Een kerk met karakter. Tijd voor heroriëntatie. Kampen, 2007, 153 e.v.

[3] Hoewel deze jaarlijkse bezoekplicht in eerdere versies van de nieuwe kerkorde was verdwenen, is deze op verzoek van vele kerken toch weer teruggekeerd. Er is bij de definitieve vaststelling van de nieuwe kerkorde op de generale synode wel discussie gevoerd over de vraag of dit in de huidige tijd en ontwikkelingen nog wel passend is, maar kennelijk willen de kerken het jaarlijkse huisbezoek nog niet loslaten.

[4] Op de classisvergadering van de classis Midden-Holland in december 2014 bleek uit een ronde langs alle kerken, dat men er alleen in een enkele kleinere gemeente in slaagde alle adressen elk jaar te bezoeken. Bij de meeste kerken is de praktijk, dat er elk jaar opnieuw vele adressen onbearbeid blijven, waarbij het bovendien vaak juist gaat om de moeilijkst bereikbare mensen (die vervolgens jaar in jaar uit geen pastoraal bezoek krijgen). Daarnaast blijven zelfs hele wijken ambtelijk onbearbeid doordat ouderlingen steeds vaker voortijdig ontheffing vragen en vervanging meestal een probleem is.

[5] Al zijn ook hierbij gemeenteleden zeker niet buiten beeld! Ook in verband met ‘opzicht en tucht’ heeft men gewezen op het gevaar om de ‘tuchtoefening’ te isoleren van de gemeente en de onderlinge tucht. Ook hier kun je dus uitgaan van dezelfde benadering: de gemeente als eerst- en de ouderling als eindverantwoordelijk.

Dit vind je misschien ook leuk...

1 reactie

  1. Henk Geertsema schreef:

    Interessant. Ik was recent op een classis namens het Praktijkcentrum en daar werd gevraagd om hernieuwde toerusting van ouderlingen. Onder andere ivm de grote wisseling. In een andere gemeente werd Praktijkcentrum gevraagd om pastorale toerusting te geven aan pastoraal medewerkers. Een keer nader overleggen hoe gemeenten en Praktijkcentrum elkaar kunnen ondersteunen in deze ontwikkeling?
    Henk Geertsema, directeur.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *