Bid om de bescherming van de heilige Geest – Preek over Heid. Cat. zondag 52 (de zesde bede van het Onze Vader)

Een paar jaar geleden las ik het boek “Dit kan niet waar zijn” van Joris Luyendijk. Over de financiële wereld, van banken en beurzen, geld- en aandelenhandel. Je denkt inderdaad “dit kan niet waar zijn”. Maar het is waar, blijkbaar: mensen die bezig zijn met schaamteloze zelfverrijking. Vaak ten koste van gewone mensen, die failliet gaan, werkloos raken. Of hun schulden niet meer kunnen betalen. Luyendijk noemt een voorbeeld van een man wiens zoontje vraagt wat pappa doet. Wat moet hij zeggen: “papa bed. … mensen”? Dat is het moment waarop hij besluit: dit kan ik niet langer verantwoorden. En hij stapt uit het wereldje. Anderen verklaren hem voor gek: hier gelden geen regels van goed of kwaad. De financiële wereld staat daar boven.

Je kunt je ontzettend boos maken over zo’n arrogante houding. Maar toen ik daarover nadacht, besloot ik: we moeten bidden voor deze mensen! Boos worden om dit onrecht helpt niet. En zijn wij niet allemaal zo; hebzuchtig, tot in onze tenen? Wat heb ook ik dit gebed nodig: verlos ons van de Boze!

De NBV-vertalers lijken moeite te hebben gehad met die persoonlijke verwoording. En maakten ervan: “verlos ons uit de greep van het kwaad”. Maar dat verandert er niets aan. Er staat gewoon, dat hier een persoon, iemand, achter zit: de Boze, de duivel! En de HC voegt daar heel realistisch nog twee aartsvijanden aan toe. De wereld, die wereld zonder moraal. En ons eigen vlees, wijzelf dus, onze eigen onverzadigbare honger! Dit vraagt maar om één gebed: Heer, help!

Bid om de bescherming van de heilige Geest

Want: 1. Zwak zijn we allemaal; 2. Sterk is alleen Gods Geest.

1

De zesde bede is een gebed om bewaring, op weg naar Gods nieuwe wereld. Bewaard moet je worden, niemand is er immuun voor! “Wie meent te staan zie toe dat hij niet valt” (I Korinthiërs 10,12, NBG ’51)! Wie meent te staan: juist als je denkt dat jij sterk bent, ben je het kwetsbaarst!

In I Korinthiërs 8-10 heeft Paulus het over sterken en zwakken in het geloof. Beiden zijn ze even vatbaar. Paulus laat dat nu zien aan de hand van de geschiedenis van Israël. Allemaal, sterk én zwak, deelden ze in Gods genade. Allemaal, groot en klein, volgden ze die wolk. Allemaal trokken ze door de zee. Allemaal aten ze brood uit de hemel, dronken water uit de rots. Allemaal werden ze zo gedoopt, zegt Paulus. D.w.z.: allemaal hadden ze deel aan de genade van God.

En zo, zegt Paulus, was Christus bij hen: God de redder die meetrekt, voedt en beschermt. De Israëlieten leefden van Gods genade, van Christus. Dezelfde genade als waarvan ook de Korinthiërs leven. En net zo leven wij van die genade en liefde van God. Allemaal hebben we deel aan Gods zegen en liefde. Allemaal geredde mensen, kinderen van Gods verbond.

En toch, toch vielen ze bij duizenden voor de verleidingen. Paulus noemt er vier: afgoderij, hoererij, Christus verzoeken, opstand tegen God. Over afgoderij gaat het uitvoerig in deze brief. In Korinthe speelde een heftige discussie: mag je in de afgodstempel gekocht vlees eten? Vlees is vlees, zegt Paulus dan. Maar ook: afgoden bestaan wel degelijk! Kijk maar naar Israël. Boze machten zogen de Israëlieten de afgrond in. Veel lekker eten, een overvloed aan alcohol. En voor ze het wisten, lagen ze met Moabietische vrouwen in bed. Je leest het allemaal in Num. 25.

Eten en drank, vrouwen en seks, krachten dus waar je uit de buurt moet zien te blijven. Of niet? Want hoe herken je het gevaar? Wat mooi is of lekker is toch niet meteen een kwáde kracht? In Korinthe was dat dan ook de worsteling van veel mensen. Vooral voor degenen die Paulus de ‘zwakken in het geloof’ noemt. Mensen die niet sterk in de schoenen van hun geloof staan. Wanneer is iets een verzoeking? Dat hangt dus af van hoe volgroeid je band met God is. Geld, lekker eten, alcohol, lichaamscultus, in de sport of in reclame. Het doet de één niets, terwijl de ander erdoor ontspoort. Bid dus, of God je er de ogen voor opent, en je alert maakt.

Ook hoererij noemt Paulus. De samenleving toen leek in veel op de onze: een verseksualiseerde wereld. Alweer, sterke gelovigen laten zich misschien minder gauw op hol jagen. Maar zwakheid zit in ons allemaal, zeg nooit: dat zal mij niet overkomen… Er was een tijd dat we films met vloeken en bloot uit zetten. Nu lachen we erom. Is dat terecht? Muziek met schunnige of duistere teksten, je zette het uit. Zeggen we nu niet té makkelijk: waar doe je moeilijk over? Porno is één muisklik van je verwijderd. Wie voelt niet die verleiding? Misschien jij nou net niet, maar dan is er voor jou wel weer iets anders. Mooie dingen kopen, jezelf mooier voordoen, over een ander kletsen. Weet jij altijd op tijd de rem te vinden? Afgoderij en hoererij, ze liggen in de Bijbel dicht bij elkaar. Het zijn allebei machten, valse goden, ingezet door de duivel.

Maar Paulus spaart ook de sterke gelovigen niet. Ze kunnen een houding hebben: ik sta er boven, die afgoden doen me niks. En zo maar wordt dat een soort trots of hoogmoed. Een houding waarmee je eigenlijk zegt: ik red het zelf wel, ik heb geen redder nodig. Dat noemt Paulus Christus tarten of verzoeken (vers 9), de derde verleiding.

En als vierde noemt hij nog de moppermodus: klagen en zeuren, negatief praten. Met zuur geklaag en kritiek praat je elkaar steeds verder naar beneden. Net als de Israëlieten: niks deugde meer. Ze raapten manna en dronken water, maar Gods trouwe zorg waardeerden ze niet meer. Allemaal verleidingen, verzoekingen dus, levensgrote vijanden, zoals de Heidelbergse Catechismus zegt. En dus kunnen we niet zonder dit gebed: Heer, help me in deze strijd!

 

2

Paulus heeft het dus over ons eigen zondige verlangen: de vijand in onszelf. Maar die vijand wordt geactiveerd door twee vijanden buiten onszelf: de Boze, de wereld. Je kunt ook zeggen: de vijanden buiten ons hebben een handlanger binnen in ons. Wij zijn zelf onze ergste vijand!

Hoe verhouden die drie zich tot elkaar? Er was een tijd dat we heel helder een grens trokken tussen kerk en wereld. ‘De wereld’ was vooral de boze wereld. De wereld ‘buiten’. Geen haar op je hoofd om naar een kroeg te gaan, of naar de film. Het hele uitgaansleven was zo’n beetje taboe. Ik weet nog goed wat mijn vader zei, toen ik vroeg of ik met vrienden naar de film mocht. “Als jij denkt dat je daar kan zitten als de Heer Jezus terugkomt, dan is het OK”. Geen haar op mijn hoofd, dat ik nog één voet over de drempel van de bios durfde te zetten!

Zo’n advies, is dat wel een advies? Je wordt eigenlijk volledig op je eigen keus teruggeworpen. Durf je dat aan, als puber? Nee dus! Aan de andere kant was het nog helemaal niet zo gek. Natuurlijk, het was absoluut niet voldoende. Maar ik leerde zo wel, dat wat ik doe te maken heeft met mijn relatie met God. Dat mijn keuzes verbonden moeten zijn met mijn band met Jezus. Dat is het goeie van wat hij zei.

De tijd dat we de scheidslijn tussen kerk en wereld scherp trokken, is voorbij. Dat je binnen de kerk goed zit, en dat alles daarbuiten fout is, zo zwart-wit ligt het niet. Zeker niet in een tijd waarin jongeren thuis en overal de wereld op zak hebben. Via je mobiele telefoon ben je 24/7 online, de wereld zit in je broekzak. Hoe ga je daar dan mee om? We zien nu, dat de wereld niet iets ‘buiten’ ons is, buiten de kerk, buiten ons eigen hart. De wereld, die zit in je. En de grote vraag is: moet je die buiten zien te houden, of is er een andere manier?

‘Wereld’ betekent in de Bijbel: het leven zonder God. Het gaat om een houding, een denkwijze. En het gevaar is, dat die denkwijze in jou komt en steeds meer jou gaat leiden. En dat gebeurt juist door die andere macht buiten ons, de duivel. Hij is erop uit, dat die wereldse denkwijze, dat leven zonder God, bij jou sterker wordt. Bijvoorbeeld door de leugen in je te doen postvatten, dat zonde niet zo erg is. Ook wij vinden het tegenwoordig niet meer zo prettig om over ‘zonde’ te praten. Dat veroordelende sfeertje van vroeger, dat willen we niet meer. En het valt toch wel een beetje mee met die zondigheid?

Nee, zonde valt niet mee! Want God is heilig, hij haat zonde! Daarom moeten we zonde wel ontmaskeren. Dit gebed luidt dan ook: verlos ons van de Boze. We staan schouder aan schouder, in de strijd tegen de duivel en het kwaad. We hebben elkaar daarin nodig. Relativerend praten over zonde helpt dan juist niet.

Maar hoe ontmasker je dan zonde? Hoe zie je wat slecht is en waar de gevaren liggen? In het eerste deel van de preek zei ik: door een hechte band met God te hebben. Maar toch is dat (zoals ik al zei) niet genoeg. Want dan lijkt het, dat je toch op jezelf teruggeworpen wordt, jouw geloofskracht. En mijn geloof valt vaak zo tegen. Daarom moeten we nog even goed kijken naar wat Paulus er hier over zegt. U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. Dat betekent niet dat het wel meevalt. Nee, hij voegt er niet voor niets aan toe: God is trouw. Niet mijn geloofskracht maar Gods trouw helpt me er doorheen. Het is niet zo, dat je verleidingen aankunt als je geloof maar sterk genoeg is. Dat je dus overal kunt zijn en alles kunt doen, als je maar met Jezus verbonden blijft. Nee, dat zeggen we te gauw en te makkelijk. Vroeger trokken we een scherpe grens tussen goed en fout. Nu leef je veel meer in die wereld en moet je je eigen kompas volgen, Jezus. Dat is waar; en ook mooi, maar toch nog te vaag en onvoldoende. Het is veel belangrijker dat we tegen elkaar zeggen: jij bent een geliefd kind van God. God heeft jou lief, laat tot je doordringen wat dat betekent.

Wat mijn vader zei (“als Jezus terugkomt, kun je daar dan zijn?”), is goed. Maar er is meer nodig: dat je gelooft dat God jou liefheeft. Ook als je misschien wel dagelijks onderuit gaat in verleidingen. Mensen die porno kijken of gevoelig blijven voor verkeerde beelden, moeten dat horen. Niet die veroordeling. Wel die stem van Jezus die zegt: kom tot mij, jij die vermoeid en belast bent. Verleidingen komen dus van buiten op je af. Maar in je zit die zwakke mens, die daar niet tegen op gewassen is. En de duivel maakt werk van die gevaarlijke ontmoeting. Door je geweten in slaap te sussen, te doen geloven dat het allemaal niet zo erg is.

Dan moeten wij elkaar juist telkens weer blijven bemoedigen met deze woorden. God is trouw, hij zal niet toestaan dat je boven je krachten wordt beproefd! Niet toestaan: hij wil jou beschermen, geloof dat! Dan zal hij met de beproeving ook de uitweg geven, zodat je haar kunt doorstaan. De uitweg is zijn liefde die jou nooit verlaat. Zijn vergeving die hij niet intrekt. In brood en wijn mogen we zijn trouw weer proeven. Ga met je strijd naar hem, en hij zal je de overwinning schenken!

Dan en zo mag je gebed eindigen in een lofprijzing: Want aan u behoort het koningschap, de macht en de majesteit tot in eeuwigheid! Dat is een blije geloofsbelijdenis: ik ben bij mijn hemelse Vader mijn leven eeuwig zeker. Zijn Geest garandeert me de overwinning. Paulus houdt ons het volk Israël als waarschuwend voorbeeld voor. Velen hebben het beloofde land nooit bereikt. Daarom is dit gebed zo nodig: bidden om de kracht van de heilige Geest. Die je beschermt, bewaart in je verbondenheid met Jezus. Door hem blijf je dicht bij Jezus.

Diezelfde Geest bewaarde ook Jezus, toen de satan hem probeerde te verleiden. Niet alleen aan het begin van Jezus’ loopbaan, in de woestijn. Maar tot het einde toe, ook toen Jezus aan het kruis hing, verlaten door God en mensen. Door die Geest heeft Christus de strijd gewonnen. Door die Geest sta ook jij op tot een nieuw leven, sterk tegenover verleidingen. Immuun daarvoor word je nog niet: je oude ik sterft, maar steekt zo maar weer de kop op. Daarom moet je bidden om de krachten van Gods Geest. Hij bewaart Gods kinderen, zodat we veilig de eindstreep bereiken. Die overwinning mag je in geloof naar je toe halen. Brood en wijn doen de rest: ze bemoedigen je in die strijd. En zijn één grote belofte: vrees niet, ik ben trouw!

 

Amen

 

HCzd52.17

 

 

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *